DNA-Vaderschapstest, hoe zit dat in mekaar?

- DNA-Verwantschapsanalyse - - DNA-Identificatie - - Maatschappelijke Discussie - - Statististisch verduidelijkt - - FAQ -

Deze bladzijden over DNA-Verwantschapsanalyse (ihb de Vaderschapstest) worden nog regelmatig uitgebreid.


Statistische Beschouwingen
en enkele speciale Gevallen van DNA-Verwantschapsanalyses

Deze bladzijde kan soms enigszins technisch overkomen, maar probeert te situeren hoe een kwantitatieve rapportering van de betrouwbaarheden mogelijk is.

Gewone DNA-Vaderschapstest (met of zonder moeder)

Deze test gaat uit van het DNA van het kind en van de vermoedelijke vader en evt. van de moeder.

De mogelijke hypothesen zijn
  H1: de vermoedelijke vader is de biologische vader
  H2: de vermoedelijke vader is de biologische vader NIET

Voor iedere merker heeft het kind van de biologische vader één allel gekregen (d.i. het geteste stukje van het vaderlijke chromosoom in het kind). Dit allel komt voor in meerdere varianten, en er kan vastgesteld worden of de vermoedelijke vader ook de variant in het kind bezit.
     Wordt ook de moeder in de test betrokken, dan kan voor iedere merker het moederlijke allel in het kind geïdentificeerd worden: dit kan niet meer afkomstig zijn van de vader (behalve in het geval dat kind en moeder voor die merker hetzelfde paar niet-identieke allelen hebben)*. Is de moeder niet beschikbaar, dan komen beide allelen van het kind in aanmerking als vaderlijk allel.
     Er kunnen zich nu twee situaties voordoen:
  • als het kind voor geen enkele merker strijdigheden met de vaderlijke allelen bevat, dan kan vaderschap niet uitgesloten worden, dus men kiest voor H1. Toch bestaat de mogelijkheid dat ook een andere man in de bevolking DNA heeft met dezelfde vaderlijke allelen. De kans daarvoor is uiterst klein en wordt door de meeste labo's aangegeven als 1-(de false positive waarschijnlijkheid**). In werkelijkheid is de betrouwbaarheid hoger indien uitgedrukt in termen van de echte paternity index m.b.v. de likelihoods L1:L2 van hypothesen H1:H2.
  • als het kind voor een bepaalde merker geen allel heeft (dat is evt. geïdentificeerd als vaderlijk) dat in de vermoedelijke vader voorkomt, dan zitten we met een strijdigheid. Het testresultaat is H2 want hypothese H1 moet verworpen worden behalve in het uiterst onwaarschijnlijk geval van een mutatie***.

Besluit:
- als de vermoedelijke vader alle vaderlijke allelen heeft wordt hypothese H1 aanvaard en vermeldt men meestal de waarschijnlijkheid van een false positive.
- is er een mismatch op minstens 2 merkers, dan wordt hypothese H2 aanvaard met 100% betrouwbaarheid. Met slechts één mismatch dan is een genuanceerd resultaat slechts mogelijk in de vorm van de verhouding van de geloofwaardigheden L1:L2 (paternity index) van H1 vs. H2.

(*) Deelname van de moeder wordt sterk aangeraden met oog op de veel hogere betrouwbaarheid van een H1 resultaat (tot een factor 2 per geïdentificeerde moederlijke merker).
(**) d.i. de kans dat een andere man in de algemene bevolking ook een dergelijke match vertoont. Afhankelijk van het DNA van het kind (en de evt. meegeteste moeder) ligt deze false positive waarschijnlijkheid tussen 0.5% en een in verschillende miljarden. 0.5% komt zeer weinig voor. Zelfs 0.1% komt slechts voor in 1/1000 van de geteste kinderen. Wordt de moeder meegetest dan is de kans nog veel lager. Het is enkel na kennisname van het DNA-profiel van kind (evt.+moeder) dan men deze berekening kan maken.
(***) De geloofwaardigheid ("likelihood") dat H1 toch juist is, is uiterst laag en bevat o.m. de kans op mutatie voor de niet overeenkomende merkers van het vermoedelijk-vaderlijke allel naar het ge-observeerde vaderlijke allel. H1 is slechts mogelijk mits een mutatie op de niet-overeenstemmende merker. Daarom wordt H1 normaal pas verworpen als er zich discrepanties voordoen op minstens 2 merkers. Dan kan men spreken van absolute zekerheid. In feite biedt ivoor zulke randgevallen enkel de likelihood-methode soelaas, in de vorm van een kwantitatieve paternity index. De betrouwbaarheid kan verder verhoogd worden door extra merkers in de DNA-test te betrekken.

DNA-Vaderschapstest zonder Vader: "Zijn de kinderen van dezelfde vader of van verschillende vaders?"

Stel dat we beschikken over DNA van de moeder (M) en van 2 kinderen (K1,K2).

De mogelijke hypothesen zijn
  H1: V1V1 beide kinderen hebben dezelfde vader
  H2: V1V2 beide kinderen hebben een verschillende vader
Let wel, dit zegt niets over wie de wettelijke vader is. Dikwijls heeft men nochtans zekerheid over het vaderschap van een van de kinderen, zodat de gewenste informatie toch kan afgeleid worden.

Aan de hand van de DNA-profielen van M,K1,K2 kan men enkel zgn. likelihoods bepalen (dwz. L1: hoe waarschijnlijk zijn de gemeten DNA-profielen, gegeven H1, L2:...). Het heeft weinig zin om echte (a posteriori) waarschijnlijkheden te berekenen omdat de a priori waarschijnlijkheden (zonder metingen) uiterst subjectief zijn (en bv. verschillend voor beide partijen in een gerechterlijk geschil).

De verhouding L1:L2 geeft dan de verhouding van de geloofwaardigheden van hypotheses H1 vs. H2. In de literatuur wordt deze verhouding ook de "Paternity Index" genoemd.

Bij 3 (of meer) kinderen en evt. verschillende moeders zijn er heel wat meer hypothesen (bv. H1...H5). Het resultaat van de analyse wordt dan best opgegeven als een verhouding van de verschillende likelihoods, bv. 103000:3100:1:205:1555. Dit zou betekenen dat H3 205 maal geloofwaardiger is dan H4, maar H1 is nog 103000:205 keer geloofwaardiger dan H3.
     Hoe meer kinderen er in de test opgenomen worden, hoe hoger de betrouwbaarheid. Deze is afhankelijk van het feit of de proefpersonen toevallig veel of minder voorkomende DNA-(merker)varianten of -allelen hebben. Nogal uitzonderlijk kan men op die manier bij 2 kinderen een lage paternity index krijgen, bv. 3:1 (maar het kan evengoed heel discriminerend zijn, bv. met 300000:1). Vanaf 3 kinderen is de test veel meer discriminerend (en er kan soms al uitsluiting volgen van bepaalde hypotheses als er meer dan 4 verschillende allelen in bepaalde merkers gevonden worden. In zo'n geval zouden de likelihoods genoteerd worden als bv. 203000:0:25000:1:9900000, wat betekent dat H2 niet mogelijk is).

 

Meer hierover in deze FAQ

 ^ Top 
Deze informatie wordt u aangeboden met medewerking van Life-ID